Einde schoon-schip bouw

In 2012 heeft het CBb  CBbHet College van Beroep voor het bedrijfsleven is een bestuursrechtelijk college dat oordeelt over geschillen op het terrein van het sociaal-economisch bestuursrecht, waaronder het mededingingsrecht.  in de laatste schoon schip bouwzaken uitspraak gedaan. De rechtbank Rotterdam deed in 2008 de eerste uitspraken. In totaal zijn 57 schoon schip bouwzaken aan de rechter voorgelegd; 37 daarvan zijn tot in hoogste instantie bij het CBb uitgeprocedeerd. In totaal is 82% van de zaken met een voor de NMa positief resultaat afgerond. Daarbij rekent de NMa door de rechter in diverse zaken toegepaste boeteverlagingen wegens overschrijding van de redelijke termijn, grotendeels als gevolg van een lange gerechtelijke procedure, niet als verlies.

De NMa had voor de afhandeling van de grote hoeveelheid schoon schip bouwzaken – in totaal ruim 1400 betrokken ondernemingen – een bijzondere versnelde sanctieprocedure en boetesystematiek opgesteld. Deze aanpak heeft het mogelijk gemaakt om veel zaken af te handelen binnen een beperkt tijdbestek. Het overgrote deel van de schoon schip zaken is definitief in de administratieve fase afgerond. Een relatief beperkt aantal bouwondernemingen heeft beroep en hoger beroep ingesteld. De NMa heeft geconstateerd dat de beschreven aanpak van de bouw heeft bijgedragen aan de breed gewenste cultuuromslag in de bouw. Waar de NMa toch nog gedragingen tegenkomt, die leiden tot aanbestedingsafspraken in strijd met de mededingingsregels, treedt zij hiertegen hard op, zeker indien er sprake is van recidive.

De rechter heeft de aanpak van de NMa goedgekeurd. De NMa heeft de ruimte om keuzes te maken en de sanctieprocedure en het boetebeleid op een alternatieve wijze vorm te geven. De rechter toetst of de gemaakte keuzes niet onredelijk of onevenredig zijn en of de bouwondernemingen vooraf goed zijn voorgelicht.

Een beperkt aantal bouwondernemingen koos niet voor de versnelde sanctieprocedure, omdat zij vonden dat zij geen overtreding hadden begaan. In deze zaken is de reguliere procedure toegepast. Daarin kwam ook het bewijs voor de overtreding aan de orde. In deze zaken heeft de rechter een aantal keer de boete teruggedraaid omdat er onvoldoende bewijs was. Uit de uitspraken van 2012 – zie met name de uitspraken van het CBb van 5 april 2012 (LJN: BW1393) en van 13 december 2012 (AWB 11/241 en AWB 11/260, n.n.g.) – blijkt dat de rechter daarbij vooral waarde hecht aan bewijsmiddelen die ten tijde van de overtreding zijn opgesteld. Stukken die nadien zijn opgesteld moeten worden ondersteund door ander overtuigend bewijsmateriaal. In de meeste reguliere zaken is de boeteoplegging in stand gebleven (zie ook de uitspraken van het CBb van 12 juli 2012, (LJN: BX6386) van 13 december 2012 (AWB 11/241) en uitspraken van het CBb in reguliere zaken uit 2011).

Ten slotte blijkt uit de uitspraken van het CBb van 28 augustus 2012 (LJN: BX7256 en BX7257), dat de rechter ook kritisch beoordeelt of het onderzoeksrapport van de NMa duidelijk genoeg aangeeft wat de overtreding inhoudt en waar dit op is gebaseerd. Hierop moet de onderneming zijn verdediging kunnen baseren. In het besluit kan de NMa niet buiten de reikwijdte van het rapport treden. Daar had de NMa zich in de betreffende twee zaken volgens het CBb niet aan gehouden.

Zie ook

Er zijn geen gerelateerde links bij dit artikel.
  • Voeg toe aan mijn selectie
    • Dit artikel
    • Dit hoofdstuk (45)
  • Print
    • Dit artikel
    • Dit hoofdstuk (45)
  • Deel
    • LinkedIn